ben gehouden, als ik niet had rondgelopen met de gedachte aan Alfred. Eigenlijk was het nog erger, want ik wist meer van Alfred dan hij, ik hoorde op een zeker ogenblik, hoe Alfred aan zijn einde was gekomen en ik had niet de moed, dat tegen mijn vader te zeggen, mijn hart te luchten. Toen mijn moeder en Lodewijk waren gestorven, wilde ik mij troosten met de gedachte, dat ik later alleen het beheer over de goederen zou voeren. Ik zou de plaats van mijn vader en van de rentmeester innemen, ik zou macht uitoefenen en me zo wreken voor al die ellendige jaren. Het was een tamelijk onnozele illusie, des te onnozeler, omdat ik meende, dat mijn zuster zich wel bij mijn bewind zou neerleggen. Nu weet ik wel beter, ze schrijft mij brieven, waarin ze mij dringend adviseert, niet meer naar „De Beukenhorst” terug te gaan. Ze is onlangs weduwe geworden en beweert, dat zij de enige is, die vader in zijn laatste jaren kan verzorgen. De lieverd... En ik, met mijn gevoelige zenuwen, kan beter in een rusthuis blijven! Dus ik moet het huis uit, omdat zij er in wil. Dat kun je net denken! ”
Aletta’s stem had een venijnige klank gekregen. Al had ze misschien het grootste gelijk van de wereld, haar toon en ook haar verbeten gelaatsuitdrukking gaven Hans een hoogst onaangenaam gevoel. Ze was, of ze het wilde of niet, een Waelenburgh, een lid van die familie, waar van normale menselijke verhoudingen geen sprake scheen te kunnen wezen.
Hans wendde het hoofd af en keek naar het gordijn, dat nog steeds golfde in de wind. Hij wilde opstaan en er naar toe lopen, om wat frisse lucht in te ademen. Toen hij Aletta weer aankeek, zag hij, dat ook zij het benauwd had.
234