duldbaar voor mij zou zijn, dat ik op een dag alles wat ik wist zou moeten opbiechten of letterlijk te gronde gaan.” Ze zweeg weer. Hans zag nu in haar niet meer een vastberaden en tyrannieke vrouw, maar een innerlijk gemartelde. Ze nam een glas water, dat naast haar op een tafeltje stond en dronk een paar teugen. Hans sprong op, om het weer van haar aan te nemen en op zijn plaats te zetten.
„Ik wil, dat u de achtergrond kent,” ging ze verder, „alleen maar opdat u niet verkeerd over Alfred zult oordelen. Wij zijn altijd een onharmonisch gezin geweest. Mijn vader was sterk, mijn moeder zwak. Mijn zuster aardt naar onze vader, mijn broers waren allebei, ieder op zijn eigen wijze, zwakke figuren. Wat mij betreft, ik geloof, dat ik er zo'n beetje tussenin sta. Ik heb overigens het ergste niet meegemaakt, want ik was veel jonger dan de andere kinderen. Inmiddels was er een zekere rust in huis gekomen, maar een rust, die niets anders was dan beheerste angst. Mijn zuster was getrouwd; Alfred, mijn oudste broer, was al jaren weg en niemand mocht zijn naam meer noemen; Lodewijk, mijn andere broer, was een sukkel, volkomen onderworpen aan vader. Er gebeurde eigenlijk niets bij ons thuis, maar dat was juist het erge. Alfred ging als 't ware voortdurend onzichtbaar rond. Ik weet zeker, dat mijn moeder er hevig onder geleden heeft. Of mijn vader ook geleden heeft, weet ik niet; dat was iets, wat ik me eenvoudig niet durfde afvragen. In ieder geval was hij een man, die nooit een centimeter afweek van de weg, die hij had afgebakend. Later is hij wel veranderd en ik kan niet anders zeggen dan dat hij voor mij altijd vriendelijk en bezorgd is geweest. Misschien zou ik werkelijk van hem heb
233