„U hoeft u niets te verwijten, freule,” zei Hans, „want ik voel me daardoor niet in 't minst teleurgesteld. Ik ben er al lang overheen.”
Het was een domme, ontactische opmerking van hem. Ze keek hem aan, alsof ze hem wilde vernietigen.
„Dat komt dan alleen,” zei ze hooghartig, „doordat u er geen benul van hebt, wat voor kans u verloren hebt.”
Hij poogde de situatie te redden en zei haastig:
„Pardon, freule, ik bedoel...”
„Ik begrijp heel goed wat u bedoelt.”
Hij, daarentegen, begreep haar reactie niet. Waarom sloot ze nu weer haar ogen en welden er tranen in de hoeken op? Had hij haar gekwetst door kleinerend over die betrekking te spreken?
Ze sloeg haar ogen weer op en schraapte haar keel. Alsof dit incident niet had plaatsgevonden, sprak ze:
„Er heeft een interview met u in de krant gestaan. Toen ik dat had gelezen, ben ik opeens bang van u geworden, want ik zag, dat u op zoek was naar een geheim, dat mijn broer mij jaren geleden had toe vertrouwd.”
Hans drukte zijn nagels in zijn handpalmen, maar kon de vraag niet terugdringen:
„Heeft uw broer mijn tante...?”
Eer hij het vreselijke woord kon uitspreken, viel ze hem in de rede:
„Nee, niet vermoord! Alfred was wel een zwakkeling, maar geen moordenaar. Dat zal ik u aanstonds bewijzen. Jarenlang ben ik de enige geweest, die zijn geheim kende. Ik kon de gedachte niet verdragen, dat ik voortaan dagelijks zou moeten omgaan met de man, die achter datzelfde geheim probeerde te komen. Ik wist, dat uw nabijheid on
232