woei een kruidige geur binnen. Tegen een der muren stond een tafel met boeken en papieren. Het leek of daar zoeven nog iemand had zitten werken.
Aletta s bed stond langs de muur tegenover het balkon. Haar ogen waren groot in haar wit, vermagerd gezicht. Uit de verte leken het twee vreemde, starre insekten, maar toen hij naderbij trad, zag hij, dat ze trilden van leven. Haar mager bovenlichaam, in een blauw bed jasje gehuld, zat overeind tegen een stapel kussens. Ze reikte hem een koele hand en hij zei vormelijk:
„Dag, freule Waelenburgh, hoe maakt u het?”
„Dank u, dat gaat wel. Neemt u plaats.”
Ze wees op de eenvoudige, withouten stoel, die naast haar bed stond. Hij had het gevoel, dat zich tussen hen een ijsvlakte uitstrekte, een onbegaanbare oneindigheid. Maar hij was de gezonde, hij moest het initiatief nemen, het ijs breken.
„Ik geloof,” begon hij, terwijl hij zijn benen over elkaar sloeg en de freule met een vage glimlach aankeek, „dat we allebei nog al wat moeilijkheden hebben gehad, eer we aan deze ontmoeting zijn toegekomen. Niet dat ik onze moeilijkheden met elkaar zou willen vergelijken, maar...” „Meneer Bartels,” sneed ze zijn woordenstroom af, „ik heb u dingen te zeggen, die bijzonder belangrijk zijn — tenminste voor mij.”
Ze ging enigszins verliggen, zodat ze hem pal in het gezicht kon kijken. Haar smalle, bleke handen lagen ineengevouwen op de deken, een krachteloos hoopje botten, met een vlies van huid overtrokken. Later echter voeren deze handen telkens omhoog, als opgeschrikte vogels.
Hans, onthutst door haar gedecideerd optreden, vroeg zich
230