„Huilt ze gauw?” vroeg Hans niet zonder angst, want hij kon niet goed tegen vrouwentranen.
„Ze beheerst zich zoveel mogelijk,” zei Vermeer, een antwoord, dat ruimte overliet voor velerlei vermoedens.
„En wanneer is het de bedoeling, dat ik naar haar toe ga?” „Morgenmiddag, als u dat schikt. Ik heb er al met baron Waelenburgh over getelefoneerd, natuurlijk zonder op details in te gaan. Maar ik meende, dat hij u wel erheen mocht laten brengen. Hij was er onmiddellijk toe bereid, hij is tot alles bereid, wat de genezing van zijn dochter ten goede zou kunnen komen.”
„Ik dank u voor uw attentie,” zei Hans. „De vorige keer, bij mijn bezoek aan de dokter, heb ik ook al met dat vorstelijke voertuig gereisd. Meneer Blinxma, die een toekomstig rentmeester in mij ziet, zal nu misschien wel gaan denken, dat ik de baron zelf in zijn waardigheid opvolg.” Ze lachten beiden.
Terwijl ze langzaam naar het pension wandelden, waar Vermeer de lunch zou gebruiken, vroeg Hans hem nog, of hij mevrouw Arnault kende, die van haar voornaam blijkbaar Gusta heette. De predikant had haar wel eens op „De Beukenhorst” ontmoet.
„Het is goed, dat u over haar spreekt,” zei hij tot Hans, „want u zult er verstandig aan doen, bij uw bezoek aan de freule geen melding van haar zuster te maken. Ze schijnt bijzonder gebeten op haar te zijn.”
Hans verhaalde zijn ervaringen met deze zuster. Vermeer schudde het hoofd. Hij wilde nog een opmerking maken, toen Marie Poolman hen tegemoet trad, jong en opgewekt, een mens uit een heel andere wereld dan die, waarin zij deze morgen hadden vertoefd.
228