beter kunt worden, zonder met hem gepraat te hebben?’ Ze geloofde niet, dat ze dat zou kunnen.”
Hans had gedurende het laatste deel van deze onthullingen moeite gehad om zijn opwinding te beheersen. Hij wilde de predikant echter niet onderbreken. Deze vervolgde:
„Ik heb tegen haar gezegd: ,Freule Aletta, ik heb meneer Bartels maar één keer ontmoet, maar ik weet zeker, dat hij het tegendeel is van een mens, voor wie men bang hoeft te zijn. U kunt gerust met hem praten, maar dan moet u zich vast voornemen, te zeggen wat u op uw hart hebt en alle valse schaamte dient u af te leggen/ Openhartigheid is namelijk absoluut noodzakelijk voor haar, misschien wel haar enige medicijn. Ik heb u al gezegd, dat ze tegenover mij altijd enigszins gereserveerd is gebleven. Maar dit is me wel duidelijk geworden: deze crisis heeft al jaren gesluimerd en is nu acuut geworden door een uiterlijke aanleiding, waarbij u betrokken bent.”
„Zelfs al heeft ze me iets te zeggen,” sprak Hans, „dat voor mij persoonlijk ook van belang is, ik zie er toch tegen op, naar haar toe te gaan.”
„U moogt het niet weigeren. Maar ik moet u nog een paar dingen over haar vertellen, die u waarschijnlijk nog niet weet. Aletta is het jongste kind van de baron, veel jonger dan haar zuster Gusta. Ook haar twee broers, die allebei gestorven zijn, waren veel ouder dan zij. Ik heb van haar voor eerst gehoord, dat er nog een tweede broer is geweest, Alfred. De andere, Lodewijk, heb ik gekend, die is nog niet zo lang geleden gestorven. Wat er met die Alfred aan de hand is geweest, daar ben ik niet achter
226