lijk hebt u een indruk van grote openhartigheid op mij gemaakt.”
„En nu niet meer?” vroeg Hans.
„Niet meer in die mate. U moet mij goed begrijpen. De zaak gaat mij niet aan. Wij zijn heel toevallig tijdelijk huisgenoten. Maar aangezien u moet hebben gemerkt, hoeveel belang ik in het geval stelde, had ik graag van uw kant iets meer vertrouwen genoten.”
Wat moest Hans doen tegenover deze wel wat opdringerige, maar in wezen onschuldige en goedhartige oude heer? Hij had het gevoel, alsof hij een kind een stuk speelgoed afhandig had gemaakt. Het verschil tussen oude mensen en kinderen was soms merkwaardig klein.
„Het is duidelijk,” vervolgde Blinxma, „dat u op 't ogenblik in contact staat met de familie Waelenburgh. Ik ben het indertijd geweest, die u de geschiedenis van die zoon heeft verteld.”
En wat zou dat? dacht Hans, maar hij zei niets. Hij was evenmin van plan, de oude kolonel een nieuwe teleurstelling te bereiden door hem te onthullen, dat dat verhaal over Alfred Waelenburgh niet helemaal uit de lucht was komen vallen, doordat Van der Pek hem al het een en ander had verteld.
Blinxma nam een sigaar uit zijn koker en ging achter een boom staan, om een lucifer af te strijken. Hans was op de weg gebleven en luisterde naar het ritselen van de heidestruiken. Ergens in het dorp blafte een hond. Het geluid verwoei en verhief zich opnieuw. Hoe gewoon en hoe geheimzinnig was het leven. Waarom maakten de mensen het nog ingewikkelder, terwijl het al zo raadselachtig was? De oud-militair, die inmiddels zeker aan heel andere din
221