ZESTIENDE HOOFDSTUK
'Tk heb meneer Van der Pek al in geen tijden gezien,” } zei kolonel Blinxma.
Hij maakte met Hans een wandeling langs de buitenweg voorbij het café De Posthoorn.
Hans antwoordde met de veronderstelling, dat meneer Van der Pek het zeker te druk had om aan de stamtafel te verschijnen. De oud-militair keek zijn metgezel van terzijde aan, maar deze deed of hij het niet merkte.
„Mag ik u eens wat zeggen, meneer Bartels?” sprak de oude baas.
„Welzeker, ik luister graag naar u,” gaf Hans niet zonder ironie ten antwoord.
„Ik ben een beetje in u teleurgesteld, meneer Bartels!” Hans trok de wenkbrauwen op en keek de ander aan. „Maar, meneer Blinxma, waarin ben ik dan tekort geschoten?”
„Het heeft mij in de eerste plaats teleurgesteld, dat u het onderzoek naar uw tante in koelen bloede hebt opgegeven.”
Hans moest lachen om Blinxma 's terminologie. Hij zei:
„U weet toch niet, of ik het onderzoek gestaakt heb en nog minder of ik dat in koelen bloede heb gedaan.”
„Als u er inderdaad nag mee bezig bent, kom ik nu aan mijn tweede teleurstelling,” sprak de kolonel. „Aanvanke
220