tamelijk rustige stemming was, maar ze zei, dat ze zich daarover niet wenste uit te laten. Ze laat trouwens in het algemeen niet veel los en daarom is de behandeling zo moeilijk.”
De dokter zweeg even en vroeg toen:
„Kent u misschien ook haar zuster, mevrouw Arnault uit Den Haag?”
„Nee, maar haar naam heb ik wel horen noemen. Ze schijnt een cliënte te zijn van Mr. Burgers, een advocaat, die enige dagen heeft gelogeerd in het pension waar ik op *t ogenblik woon.”
„Dan weet u zeker ook wel, wat mevrouw Arnault in haar schild voert?”
Hans zette grote ogen op. Wat was dat nu weer voor een complicatie? Eer hij iets kon antwoorden, zei dokter Nieuwenhuis:
„Ik heb van Mr. Burgers een brief ontvangen, waarin hij namens mevrouw Arnault informeert, of er geen termen aanwezig zijn om juffrouw Waelenburgh krankzinnig te verklaren, zodat ze onder curatele kan worden gesteld.” Deze mededeling verbijsterde Hans even. Wat was dat voor een duistere familie? Waren die mensen allemaal misdadig of gek? Het kostte hem moeite, zijn afkeer niet te luchten, maar hij zei slechts:
„Nu ja, dat gaat mij niet aan!”
„Het gaat u net zoveel en net zo weinig aan als de rest van de zaak. De advocaat schrijft mij, dat mevrouw Arnault mede als argument voor haar verzoek aanvoert de houding, die haar zuster tegenover u heeft aangenomen. Ik kan u overigens wel zeggen, dat mevrouw Arnault op mijn medewerking niet hoeft te rekenen. Dat neemt niet
212