Maar een aannemelijke verklaring heb ik er niet voor kun* nen vinden.”
„Zelfs als u een ongerijmde veronderstelling hebt, zou ik die graag horen,” zei de dokter. „De hele toestand van juffrouw Waelenburgh is van logisch standpunt beschouwd ongerijmd, dus het zou wel eens kunnen zijn, dat juist in iets dergelijks de oorzaak van haar ziekte moet worden gezocht.”
Hans had al van te voren begrepen, dat het gesprek deze richting zou uitgaan en ook dat hij het familiegeheim van de Waelenburghs niet vóór zich kon houden, wilde zijn komst enig nut hebben. Bovendien, indien er iemand was, tegenover wie hij zich mocht uitlaten, dan was het deze dokter, die door zijn beroepseed gebonden was.
„De zaak zit zó,” begon Hans zijn verklaring. „Op de dag, waarop freule Waelenburgh moet zijn ingestort, is er een interview met mij in een provinciaal blad verschenen. Ik heb verband willen zoeken tussen de publikatie van dat interview en de toestand van de freule. Daarbij ging ik ervan uit, dat zij het stuk had gelezen, iets wat ook maar een veronderstelling is.”
De dokter vroeg op enigszins abrupte toon:
„Waar ging dat interview over?”
„Over een onderzoek, dat ik in Eelstwoude heb ingesteld naar een tante van mij, die vijftien jaar geleden spoorloos verdwenen is.”
„En waarom denkt u, dat juffrouw Waelenburgh daarop zo heftig zou hebben gereageerd?”
„Ja, nu komt eigenlijk pas het ongerijmde van mijn combinatie,” antwoordde Hans. „Ik hoop, dat u me er niet om zult uitlachen...”
210