zien. Uit een half openstaande deur, die ze passeerden, klonk gerammel als van eetgerei. De zuster zei tegen Hans, dat hij de laatste deur aan zijn rechterhand moest hebben en hij ging alleen verder.
Hij klopte aan, iets krachtiger dan hij gewend was, en hij kreeg onmiddellijk antwoord. De spreekkamer was ruim en licht, maar spaarzaam gemeubileerd. Behalve een bureau, waarachter een stoel, stonden er een paar leren fauteuils bij een tafeltje en tegen een der muren een lage divan. Er was een rek, waarop wat boeken en een vaasje met bloemen. Dokter Nieuwenhuis, een man van omstreeks veertig jaar, met een smal gezicht en strak achterovergekamd blond haar, stond op, toen zijn bezoeker binnenkwam. Hij liep om zijn bureau heen en ze stelden zich aan elkaar voor. Vervolgens schoof de dokter een der fauteuils voor het bureau, verzocht Hans te gaan zitten en nam zelf weer zijn oude plaats in.
Hij begon met Hans voor zijn komst te bedanken, wat deze zwakjes afweerde. Frasen zijn hier volkomen overbodig, dacht hij. Maar het bleek gauw genoeg, dat dokter Nieuwenhuis zich hierin niet vermeide.
„U begrijpt wel, dat ik geen beslag op uw tijd zou hebben gelegd, als ik niet meende, dat uw komst van nut kon zijn. De toestand van juffrouw Waelenburgh is tamelijk ernstig.”
Het trof Hans, dat de dokter gedurende het hele gesprek niet één keer het woord ,freule' gebruikte en hij zocht daarvoor vergeefs een verklaring. Hij meende, als antwoord op deze inleidende opmerking met een begrijpend knikje te kunnen volstaan.
De dokter vervolgde:
208