VIJFTIENDE HOOFDSTUK
het rusthuis en deze keer kon Hans het aanbod niet
e baron bood Hans zijn auto aan voor de tocht naar
weigeren. Per trein en bus was de reis lang en omslachtig, met de auto daarentegen niet meer dan een paar uur. Even dacht hij erover, de wagen niet voor het pension, maar ergens aan de rand van het dorp te laten komen. Hij liet dit denkbeeld echter dadelijk weer varen. De mensen moesten dan maar kletsen, indien ze het niet laten kon-
den.
Kolonel Blinxma, die toevallig in de buurt van de telefoon was, toen Hans de afspraak met baron Waelenburgh maakte, keek Hans, zodra deze de hoorn had neergelegd, afwachtend aan. Zijn bescheidenheid verbood hem, vragen te stellen, maar zijn nieuwsgierigheid, of liever zijn bezetenheid door het geval van de verdwenen tante, won het van zijn betere gevoelens. De omstandigheid, dat Hans doorliep naar de tuin, bood de oud-militair een welkome gelegenheid voor een apartje met hem.
„Het gaat me natuurlijk niet aan, meneer Bartels,” zei hij op de gedempte toon van een samenzweerder, „maar u kent mijn vurige belangstelling voor de zaak en daarom zult u mij mijn onbescheidenheid, hoop ik, niet kwalijk nemen. Heeft de reis, die u voor baron Waelenburgh gaat maken, er iets mee uitstaande?”
204