„Luister eens, Marie, we moeten elkaar goed begrijpen. Misschien heb ik wel eens de indruk van een weifelaar op je gemaakt. Ik wil ook niet zeggen, dat ik nooit heb geweifeld en ik kan je niet garanderen, dat dat nooit meer zal voorkomen. Het kan wel zijn, dat ik een beetje zwaar op de hand ben, maar ik heb geleerd, dat de dingen zelden met een eenvoudig ja of nee kunnen worden afgedaan. Dat heeft overigens niets te maken met het feit, dat ik nooit over me zal laten lopen. Als er iets met me gebeurt, dan gebeurt dat met mijn eigen goedvinden, en vind ik het niet goed, dan gebeurt het niet.”
„In dit geval,” zei Marie, „komt het er dus op neer, dat jij iets wèl goed vindt en ik niet!”
Hij hield haar polsen nog steeds vast en duwde haar zachtjes achteruit, totdat ze in de stoel neerzonk. Zelf ging hij naast haar op een van de leuningen zitten. Even dacht hij erover, dit hele gesprek te laten schieten, haar hoofd met zijn handen te omvatten en een lange kus op haar mond te drukken. Hij hield zo hartstochtelijk van haar. Maar hij beheerste zich en keek haar alleen maar diep in de ogen. Het kon niet goed tussen hen zijn, als zij niet begreep, waarom hij aan het verzoek van de baron had toegegeven. Maar het was zo moeilijk om het op de juiste wijze onder woorden te brengen.
Eindelijk zei hij:
„Op gevaar af, dat je me plechtstatig of sentimenteel vindt, moet ik je zeggen, dat het voor mij louter een kwestie van naastenliefde is. Wie de baron is of was, hoe de freule zich gedraagt en gedragen heeft, dat zijn zaken, die ik uit zelfbehoud niet uit het oog mag verliezen, maar ze doen niets af aan het feit, dat het allebei mensen zijn, die lijden
202