op straat. Ze stoorden hem niet, ze vormden eerder een prettige achtergrond voor zijn gepeins over het vreemde geheel, dat de familie Waelenburgh vormde. Jammer dat hij iets met die mensen te maken had gekregen, hij zou anders van op een afstand zo intens geboeid hun doen en laten hebben gadegeslagen, zonder te hoeven vrezen, dat hij zelf in moeilijkheden zou raken.
Dit laatste was het nu juist, wat Marie reeds als een feit constateerde: hij had zich tot over de oren in de nesten gestoken. Driftig liep zij in de kamer heen en weer, terwijl Hans overeind zat in de rookstoel.
„Ik kan maar één ding in je houding waarderen,” verklaarde zij, „namelijk dat je van die betrekking radicaal hebt afgezien. Maar voor de rest! Wat gaat jou in *s hemelsnaam die freule aan? Ze is hier in de omtrek wijd en zijd bekend om haar kuren. En haar vader mag zich tegenwoordig als een brave oude heer voordoen, in zijn jonge jaren was hij lang geen doetje, dat weet je zelf ook wel! In jouw plaats had ik gezegd: ,Aju, meneer Waelenburgh, gaat u zelf maar met uw malle dochter praten! * ” „Je bent toch niet bang, dat ik me door die dochter laat strikken, Marie?”
Ze bleef vlak vóór hem staan en haalde de schouders op. „Als je soms denkt, dat ik jaloers ben, heb je het mis,” antwoordde ze. „Maar ik acht je wel in staat om je door die dame in de luren te laten leggen!”
„Met andere woorden, je acht me in staat om me als een sukkel te gedragen!”
„Dat wil ik niet zeggen, maar je zou je door een misplaatste goedhartigheid kunnen laten meeslepen.”
Hij stond op en pakte haar beide polsen.
201