„Ik heb een brief ontvangen van dokter Nieuwenhuis,1” vervolgde de baron, „de zenuwarts, die mijn dochter behandelt. Hij heeft met haar gepraat, maar niet veel uit haar losgekregen, niet voldoende althans om hem een volledig inzicht in haar moeilijkheden te geven. Maar één ding, dat ik de vorige keer bij wijze van vermoeden opperde, staat nu wel vast: u speelt een belangrijke rol in haar neurose, zoals de dokter het noemt.”
„Dat was immers geen vermoeden, meneer Waelenburgh. Freule Aletta heeft haar... haar gevoelens voor mij toch duidelijk te kennen gegeven.”
„Pardon, ik bedoel de ommekeer in haar gevoelens, een ommekeer, die haar blijkbaar zo hevig heeft aangegrepen, dat ze er ziek van is geworden.”
„Zou ik dan precies mogen weten,” vroeg Hans, „welke rol ik daarin speel?”
„Dat is het nu juist,” zei de baron, terwijl hij zich duidelijk beheerste om niet weer langs zijn gelaat te strijken, „waar we nog niet achter zijn gekomen. U weet het niet, zoals u mij de vorige maal hebt gezegd, en Aletta wil het niet loslaten. Nu heb ik een heel bijzonder verzoek aan u, meneer Bartels: zou u met haar willen praten?”
]% dit mócht wel een heel bijzonder verzoek heten. Hans zette onmiddellijk al zijn stekels op.
„Neemt u me niet kwalijk, meneer Waelenburgh, maar de zaak is me nog altijd niet duidelijk. Hoe weet die dokter eigenlijk, dat ik zon grote rol speel in de crisistoestand van freule Aletta? Ze laat immers haast niets los.”
„Ze heeft herhaaldelijk uw naam genoemd, ze schijnt gezegd te hebben, dat ze er niet zo aan toe zou zijn geweest, als u niet op het toneel was verschenen.”
198