VEERTIENDE HOOFDSTUK
' J jT et was opnieuw Marie Poolman, die Hans steunde
n in de perikelen, waarin hij was geraakt. Weliswaar gingen er weer verscheidene dagen voorbij, zonder dat hij iets van de zijde der familie Waelenburgh hoorde, maar hij zat hevig met het geval in zijn maag. Het waren en bleven per slot van rekening machtige lieden, van oudsher gewend hun zin door te drijven, waar deze ook op gericht mocht zijn. Marie echter lachte hem vierkant uit om zijn bezorgdheid. Het hele relaas van zijn onderhoud met de baron had haar trouwens overvloedig reden tot lachen gegeven. Dat zon malle, opgewonden juffrouw als Aletta wild verliefd op Hans was geworden, kon zelfs geen spoor van jaloezie in haar opwekken. Wie weet hoe vaak de freule al aan zulke vlagen had geleden. Had meneer Waelenburgh van levensgevaar gesproken? Kom, kom, de baron was oud en zelf dicht bij de dood. Misschien leed hij daardoor aan overdreven gevoeligheid en pessimisme. Tegenover zijn zoon was hij anders indertijd niet zo angstvallig geweest, nietwaar?
In vele opzichten moest Hans Marie gelijk geven. Het ontbrak haar stellig niet aan gezond verstand, maar waarschijnlijk was ze nog te jong om een tragische situatie te peilen. Enerzijds vormde haar vitaliteit een welkom en zelfs noodzakelijk tegenwicht voor zijn zwaartillendheid, anderzijds kwam de gedachte weer in hem boven, dat er
191