„En zou ze niet iets anders vernomen kunnen hebben, waardoor ze zo van streek is geraakt?”
Even dacht Hans erover, te vragen: ,Hebt u dat stuk in de krant van vrijdag dan niet gelezen?’ Dat was de enig denkbare, ofschoon vooralsnog duistere oorzaak. Maar aangezien de baron het stuk blijkbaar niet had gelezen en Hans niet de moed had, dit netelige chapiter aan te roeren, haalde hij de schouders op en antwoordde:
„Ik zou heus niet weten, in welk opzicht ik iets te maken heb met de geestelijke inzinking van uw dochter.”
„Maar wanneer ik een beroep zou doen op uw medewerking ten bate van Aletta, zou u daar dan gevolg aan geven?”
„Dat is een moeilijke vraag, meneer Waelenburgh. Zon verzoek zou van de patiënte zelf moeten uitgaan en bovendien zou de dokter het moeten goedkeuren. Maar in hoeverre zou ik de freule kunnen helpen, vooral wanneer het inderdaad waar is, dat zij gevoelens voor mij heeft, die ik onmogelijk kan beantwoorden?”
„Nu ja, er zou zich een nieuwe ontwikkeling kunnen voordoen.”
Deze vage opmerking verbaasde Hans eerst, toen versterkte ze het gevoel van onbehagen, dat hem reeds eerder had vervuld. Had de baron het erop toegelegd, hem uit zijn tent te lokken? Vermoedde de oude heer iets van dat interview, maar wilde hij niet met zijn vermoeden voor de dag komen en Hans min of meer pressen, zich bloot te geven? Waarop kon anders die opmerking omtrent een nieuwe ontwikkeling slaan? Maar indien hij erop rekende, dat Hans het eerst over de brug zou komen, dan kon hij lang wachten. Het is met grote heren kwaad kersen eten.
189