„Hoe hebt u dan zoeven kunnen zeggen, meneer Waelen-burgh, dat de kwestie alleen uw dochter aanging en niet mij?”
„Ik dacht op dat ogenblik aan de wending, die het geval had genomen, aan Aletta's plotselinge ommekeer, aan haar zenuwinstorting. Wat haar liefdesgevoelens betreft, daar kunnen we desnoods aan twijfelen, maar één ding staat onomstotelijk vast: er is iets ernstigs gebeurd, althans iets dat Aletta als ernstig beschouwde. Daardoor heeft ze een hevige schok gekregen en bovendien is haar gevoel voor u in zijn tegendeel omgeslagen.”
„Zou u die ommekeer niet kunnen toeschrijven aan de onberekenbaarheid en grilligheid, die de freule volgens u altijd hebben gekenmerkt?” vroeg Hans.
„Zelfs al is dat het geval, dan is dit toch zon extreme uiting van haar temperament, dat haar leven er misschien mee gemoeid is. Dat is tenminste de mening van de dokter, die haar op ogenblik behandelt. U begrijpt zeker wel, dat ik mijn dochter niet graag wil verliezen.” Ofschoon de baron op vaste, bijna zakelijke toon had gesproken, voelde Hans achter zijn woorden zon diep verdriet, zo n wilde angst, dat er een golf van medelijden met de oude heer door zijn borst sloeg. Het medelijden mocht echter niet de overhand krijgen. Misschien stond Alettas leven op het spel, maar Hans had de gewaarwording, dat hij in de eerste plaats voor zijn eigen leven moest vechten. „Kan het zijn,” vervolgde Waelenburgh, „dat mijn dochter heeft gehoord, dat u getrouwd bent of verloofd?”
„Ik weet niet wat zij gehoord heeft, maar ik ben niet getrouwd en evenmin verloofd. Wel hoop ik mij binnen niet te lange tijd te kunnen verloven.”
188