enigszins bleek zag en trok zijn das recht. Toen hij de huisknecht hoorde naderen, nam hij ijlings weer in de fauteuil plaats.
„Wilt u mij maar volgen?”
Achter de kale schedel liep Hans de gang door, toen door een smallere gang linksaf en eindelijk door een groot vertrek naar een tuinkamer met drie glazen wanden. Er stonden enige leren leunstoelen en een enorm schrijfbureau, waar de baron reeds omheen liep, terwijl Hans binnenkwam.
„Dag, meneer Bartels, het doet me genoegen, dat u gekomen bent.”
Hans keek de baron in het nog krachtige, maar vermoeide gelaat. De grijze ogen waren merkwaardig levendig. De hoofdhuid scheen door het dunne haar heen.
Na Hans de hand te hebben gedrukt, wees de baron hem op een van de leunstoelen en ging zelf tegenover hem zitten. Er stond een laag, rond tafeltje tussen hen in, waarop sigaren, sigaretten en een aansteker.
„Misschien wilt u zo goed zijn u te bedienen, ik zelf rook niet,” zei de baron.
Hans reikte naar de sigarettendoos, terwijl de baron zich oprichtte en een lamp aanstak, die naast het tafeltje stond. Even bedacht Hans, dat dit nu de man was, die zijn zoon min of meer had verstoten, maar de gedachte vervluchtigde dadelijk, want de baron begon:
„Ik kan me voorstellen, dat u verwonderd was, toen meneer Van der Pek u mijn uitnodiging overbracht om eens te komen praten.”
„Ja, wel een beetje,” gaf Hans toe, terwijl hij een nauwelijks geboren aspunt in het bakje probeerde te tippen.
184