direct naar het huis van de baron. Hans begaf zich bijtijds op weg, weer op de fiets van Marie. Het meisje had het hoofd geschud, toen hij haar van die telefonische boodschap vertelde en gezegd: „Ze moesten je nu maar eens met rust laten!” Waarop Hans had geantwoord: „Ik kan toch moeilijk weigeren erheen te gaan.” Daar was inderdaad niets tegen in te brengen geweest.
Het was een heldere, koele avond. In het late licht leken de kruinen der bomen bijna zwart. Hier en daar wandelden wat zomergasten, gemakkelijk als zodanig te herkennen aan hun lichte, fleurige kleren. Hun stemmen smolten in Hans oren samen met het gezang van vogels. Hans kreeg weer een merkwaardig gevoel van tijdeloos-heid. De mensen zetten streepjes op het witte vlak van de eeuwigheid. Ze noemden die streepjes dagen, jaren, eeuwen. Maar soms, zoals nu, was het hem alsof een onzichtbare hand die streepjes radicaal uitwiste. Daardoor kwam alles wat leefde in een grenzeloze ruimte te hangen. Het gaf hem een duizelig gevoel, het was of hij ieder houvast verloor. Hij zou wel eens met Marie over die gewaarwording willen praten, maar hij had het nog niet gedurfd. Misschien zou hij het nooit durven, misschien was het wel noodzakelijk, dat zelfs tussen mensen, die elkaar zeer na stonden, bepaalde dingen onuitgesproken bleven.
Reeds fietste Hans tussen de twee stenen zuilen door, die de toegang tot „De Beukenhorst” aangaven. Even later stapte hij af, ofschoon het hier uitstekend fietsen was en hij het huis nog niet in zicht had. Deed hij het, omdat hij rustig wilde genieten van deze lommerrijke stilte of omdat hij tegen het onderhoud met de baron opzag? Misschien
182