ook op deze onthulling met merkwaardige zakelijkheid.
„O ja,” zei ze, „ik heb lang geleden wel eens iets gehoord over een zoon van de baron, die de verkeerde weg is opgegaan. Het is natuurlijk niet onmogelijk, dat die geschiedenis de freule weer door haar arme, zieke hoofd is gaan spoken, want wat overspannen mensen zich allemaal in hun hoofd halen, daar is het eind van weg. Als ze jou willen verwijten, dat een broer van haar hem twintig jaar geleden gesmeerd is, dan moet zij dat maar weten. Ik hoop voor haar, dat ze gauw weer normaal wordt!”
Opnieuw had Hans moeten lachen, ofschoon hier eigenlijk niets te lachen viel. Maar stak er niet iets humoristisch in het contrast tussen Maries oergezonde kijk op de dingen en de angstvallige, ja peuterige behoedzaamheid, waarmee hij ze benaderde? Zijn zelfcritiek was zijn geestelijke redding, maar ze kon niet voorkomen, dat het raadsel hem bleef bezighouden.
Er schoot hem naderhand nog een bijzonderheid te binnen. Had de rentmeester niet verteld, dat Aletta op vrijdagavond zo opgewonden bij hem was gekomen? Het lag voor de hand, dat het een of ander haar plotseling een schok had gegeven en wel zo'n hevige schok, dat ze volkomen van streek was geraakt. Maar ze was niet alleen van streek geraakt, ze had ook een felle afkeer tegen hem, Hans, opgevat. Wat kon er die vrijdag zijn voorgevallen? En eensklaps dacht hij aan het interview, dat die dag in de krant was verschenen. Dat die krant op het kasteel van de familie Waelenburgh werd gelezen, was wel waarschijnlijk. Dan was het ook waarschijnlijk, dat dat interview Aletta onder de ogen was gekomen. Maar wat dan nog? Werd Hans een verwerpelijk mens, omdat hij naar een
180