verhouding, die er tussen Marie en Hans was ontstaan, maar de bewoners van pension Poolman waren er niet de mensen naar, om daarover opmerkingen, laat staan grapjes te maken. Alleen mevrouw Poolman verried af en toe met een knipoogje, dat zij mee in het complot was.
Wat nu Maries houding ten opzichte van de zaak-Aletta betrof, haar eerste commentaar luidde: „Jammer voor jou, maar voor haar nog meer.”
„Hoe bedoel je dat?” vroeg Hans.
„Nou, voor jou is er niets verloren, want je hebt nog niets gehad, maar die freule is zwaar getikt, en dat is veel erger.” „Ja, maar ik kan niet goed tegen zulke onbegrijpelijke reacties. De zaak zit me vreselijk dwars.”
Waarop Marie weer een nuchtere repliek had: „De wereld is stikvol onbegrijpelijkheden. Dat je tante op onbegrijpelijke wijze is verdwenen, schijnt je overigens niet zo dwars te zitten. Als onze brave kolonel met zijn belangstellende vragen en vermaningen komt aanzetten, trek je een gezicht alsof je denkt: die tante kan naar de maan lopen en jij erbij!”
Hans moest lachen. De ene onbegrijpelijkheid was de andere niet, er bestonden allerlei soorten en nuances. Maar in wezen had Marie gelijk: hij moest die geschiedenis uit zijn hoofd zetten, het had een fraaie kans geleken, maar nu was de zaak afgedaan.
Om zijn gemoed zoveel mogelijk te luchten, deed hij haar nu eindelijk ook het verhaal van Alfred Waelenburgh. Piekerend over de oorzaak van Alettas zonderlinge houding en zenuwinzinking, had hij zich dat verhaal weer herinnerd en zich afgevraagd, of hier misschien de sleutel van haar gedrag moest worden gezocht. Marie reageerde
179