keken was, stemde hem neerslachtig, maar de raadselachtige en zieke atmosfeer, die heel deze zaak omgaf.
Als Marie er niet was geweest, zou deze ervaring Hans hoogstwaarschijnlijk een moeilijke tijd hebben bezorgd, een tijd van innerlijk gewroet, van twijfel aan alles en iedereen, het meest aan zichzelf. Maar Marie was er gelukkig wel, levendig, jong, fris, nuchter en toch niet ongevoelig. Hans noemde haar eens „mijn geestelijke steunpilaar” en al gaf zij daarop ten antwoord, dat hij heel goed op zijn eigen geestelijke benen kon staan, hij was daar lang niet zeker van. In ieder geval voelde hij, dat hij juist in deze dagen Maries nabijheid zozeer nodig had, dat hij er niet aan wilde denken, het pension te verlaten. Hij had ook geen enkele reden om zich te haasten. Zijn moeder schreef hij geregeld en zij had er zeker geen bezwaar tegen, dat hij zijn verblijf in Eelstwoude wat verlengde. Poolman, de pensionhouder, gedroeg zich zeer inschikkelijk tegenover Hans. Nu de zomer vorderde, kwamen er meer gasten en was het niet meer dan billijk, dat Hans precies zei, hoelang hij nog dacht te blijven, opdat Poolman zijn kamer bijtijds aan een andere gegadigde kon verhuren. Hij ging er echter stilzwijgend mee akkoord, dat Hans bleef zonder een termijn te noemen. Toen Hans hier op een keer over wilde beginnen, wuifde Poolman met de hand en zei: „Over zoiets wordt onder vrienden niet gepraat.” Hij lachte even en verwijderde zich toen. Misschien, dacht Hans, had Poolman in plaats van ,vrienden' eigenlijk willen zeggen familie', maar vond hij het ongepast, een onderwerp aan te roeren, dat tussen hen nog niet ter sprake was gekomen. Natuurlijk kon niemand meer blind zijn voor de
178