stemming met mijn voornemen niet spontaan is geweest, maar weloverwogen.”
„Dan moet ze naderhand iets over mij ontdekt hebben, dat haar tegen mij in het harnas heeft gejaagd,” zei Hans. „Het lijkt er veel op,” gaf de rentmeester toe. „Hebt u er misschien een idee van, wat het kan wezen?”
„Och,” zei Hans met lichte spot, „ik heb ook wel iets op mezelf tegen, dus wat dat betreft... Maar dat ik de freule op de een of andere manier aanstoot zou hebben gegeven, zoals men dat noemt, nee, daarvan ben ik me niet bewust. Ziet u er geen heil in, dat ik zelf eens met haar ga praten?”
Van der Pek schudde het hoofd.
„Ik ben nog niet helemaal klaar met mijn verhaal,” zei hij. „Ik heb u nog niet verteld, dat ik het met de baron over Aletta’s houding heb gehad. Hij begreep er evenmin iets van als ik. Gisteravond kwam hij bij mij om te zeggen, dat hij Aletta nog eens om opheldering had gevraagd, maar het enige resultaat was, dat ze eerst woedend op hem is geworden en gezegd heeft, dat hij haar met rust moest laten, en vervolgens een soort zenuwcrisis heeft gekregen. Vanmorgen vroeg is ze, op haar eigen verzoek, naar een rusthuis gegaan. De chauffeur heeft haar met de auto gebracht. Ik moet zeggen, dat ik het niet alleen een wonderlijk, maar ook een heel bedenkelijk geval vind.”
Hans was het volkomen met hem eens. Hij vond het zelfs zo bedenkelijk, dat hij even huiverde. Onder de indruk van zijn ervaringen tijdens de oorlog had hij zich ook wel eens op de rand van een zenuwcrisis gevoeld. Hij kende die verschrikkelijke gewaarwording, dat men zijn zelfcontrole verliest en ten prooi raakt aan een innerlijke en
176