dat een verklaring voor haar gedrag zou kunnen op leveren?”
Hans trok zijn voorhoofd in rimpels. Het verhaal van de rentmeester had hem een hoogst onplezierig gevoel gegeven, hij vond dat het geval een bijna angstaanjagend karakter had.
„Ze is er niet lang op bezoek gebleven,” antwoordde hij. „Ik werd erg getroffen door haar uitlating: een mens kan met heel veel onaangename gedachten leven. Daardoor kreeg ik de indruk, dat ze nu niet bepaald een gelukkig mens was.”
„Dat komt wel uit,” bevestigde Van der Pek.
„O ja, en dan nog iets. Ze is tegelijk met mij weggegaan. Op straat zei ze tegen me: ,U bent bij meneer Van der Pek geweest, hè?’ Ze was dus van mijn vorige bezoek aan u op de hoogte. Misschien heeft ze me hier binnen zien gaan of naar buiten zien komen. Of hebt u haar ervan verteld?”
„Ik niet. Maar ik neem aan, dat ze u heeft gezien. Het is trouwens merkwaardig, zoveel als Aletta ziet. Er ontgaat haar maar weinig. Dat maakt de zaak nog iets vreemder. Want ofschoon ik hier vaak bezoekers ontvang en ze er dus geen idee van kon hebben, wat u hier kwam doen, acht ik haar toch in staat, de lucht van mijn plannen te hebben gekregen. Ze heeft een soort zesde zintuig. Maar als ze werkelijk een vermoeden van mijn opzet had en ze was er tegen gekant geweest, dan zou ze dat dadelijk tegen mij, of althans tegen haar vader, hebben gezegd. Als er iets is, dat haar hindert, pleegt ze het niet lang vóór zich te houden. Ik neem daarom aan, dat haar aanvankelijke in
175