Dezelfde ochtend, waarop hij deze brief ontving, kreeg hij eindelijk het vurig verwachte telefoontje van de rentmeester. „Als u gelegenheid hebt om te komen, ben ik tot uw beschikking,” zei Van der Pek. „Ik kom meteen,” antwoordde Hans.
Hij bracht Marie vlug van het grote nieuws op de hoogte, leende weer haar fiets en peddelde naar het landgoed. Hij sloeg geen acht op de omgeving, maar trapte stug door, met snel kloppend hart. Ditmaal werd hij niet door een dienstbode ontvangen, maar door een juffrouw, die blijkbaar de secretaresse was. Zij bracht Hans naar de serre en sloot de tussendeuren naar de kantoorkamer, waar haar schrijfbureau stond.
De rentmeester, die bij Hans binnenkomst was opgestaan, drukte hem de hand en alsof hij de afsluiting nog niet voldoende vond, trok hij een stel zware gordijnen voor de tussendeuren dicht.
„Ik begrijp,” begon hij, toen ze allebei zaten, „dat u de afgelopen dagen rare dingen hebt gedacht over de gang van zaken hier.”
Hans wilde tegenwerpingen maken, maar de rentmeester weerde deze met een handgebaar af en vervolgde:
„U kunt niet meer verwonderd zijn geweest dan ik, want ik moet u eerlijk bekennen, dat ik weinig van de zaak snap. Om maar met het belangrijkste te beginnen: stelt u zich, althans voorlopig, niet veel van die betrekking hier voor. Ik zeg niet, dat het hele geval van de baan is, maar beloven kan ik u niets.”
Ziezo, dat wist Hans dan tenminste. Hij wist zelfs meer dan Van der Pek had gezegd: voor hem was het geval wel degelijk van de baan. De Waelenburghs — gewichtige
172