Marie lachte om zijn ongeduld. Had hij soms gedacht, dat die zaak in een vloek en een zucht haar beslag zou krijgen? De Waelenburghs waren gewichtige lieden en ook moeilijke lieden. Dat kon wel zijn, vond Hans, maar het feit bleef bestaan, dat Van der Pek een afspraak met hem had gemaakt, die afspraak had geannuleerd en er nog niet op was teruggekomen. De freule — want wie anders kon de hand in het spel hebben? — was blijkbaar machtiger dan de rentmeester.
Een briefje van de burgemeester van Fichtel vestigde zijn aandacht weer op het geval van zijn tante. De burgemeester berichtte hem, dat in de bezettingsjaren een deel van het archief was verdwenen. Vermoedelijk behoorde het proces-verbaal aangaande de vondst van dat lijk ook tot de zoekgeraakte documenten, want het was onvindbaar. Hans werd warm noch koud van deze mededeling, maar de oud-militair vond het een groot schandaal, dat zoiets mogelijk was. Hans vertelde hem, dat de vorige burgemeester van Fichtel was gefusilleerd en dat de leemte in het archief daarmee misschien verband hield. Blinxma streek heftig zijn snor op en verklaarde, dat dat wel mogelijk was, maar dat het toch een hoogst ergerlijke geschiedenis bleef.
Het lijkt wel of dit voor hem het ergste feit uit de hele oorlogstijd is, dacht Hans, maar hij vond het wijzer te zwijgen. Na de inlichtingen van de veldwachter had hij van dat archiefstuk al geen hoge verwachtingen gehad. Bovendien bedacht hij, dat Blinxma zelf een stuk als de brief van Alfred Waelenburgh had laten verbranden. Dat kon niemand hem verwijten, maar het lag zo ongeveer op hetzelfde vlak als de verdwijning van dat archief.
171