„Maar het haar? De tanden?” vroeg Hans, die met geweld een gevoel van walging onderdrukte.
„Haar? Een paar grijze plukjes zaten nog op dr arme hoofd, verder niks. En er zat geen tand meer in haar mond, voor zover je nog van een mond kon spreken, 't Moest, met permissie gezegd, een oud lijk zijn. Ik bedoel, dat al een tijd in die sloot had gelegen.”
,/t Moet ook een oude vrouw zijn geweest, naar de beschrijving die je ervan geeft,” verklaarde de oud-school-meester op stellige toon.
„Zou het lijk nog opgegraven kunnen worden?” vroeg Hans. „Ik heb namelijk een vermoeden, dat het een tante van me geweest is.”
„Dat zou de justitie moeten beslissen,” antwoordde de veldwachter. „Maar er is niet veel meer te beslissen, want we hebben haar op ouwe kerkhof begraven, dat een paar jaar geleden is opgeruimd.”
„Was er aan de kleren geen merk te vinden of een etiket of zoiets?”
„Niks. Of ja, ik herinner me iets. Ze had nog een stuk hemd aan en daar stond in: superieur kwaliteit.”
„Superior quality, misschien?”
„Precies, dat stond er. Da s Engels, hè? Daar ben ik niet zo sterk in.”
Was er nog twijfel mogelijk? Een oude vrouw, een hemd met een merk in de Engelse taal. Inderdaad, men kon nog twijfelen. Er waren in 1937 meer oude vrouwen dan tante Adriana. En wat mensen met Engelse etiketten in hun ondergoed betrof, die waren hier, voor en na de oorlog, om zo te zeggen talrijk als het zand der zee. Toch kwam het Hans onwaarschijnlijk voor, dat men indertijd uit die sloot
167