het: „Dag, meester!” en dan groette De Gaai terug met een enkel woord of een gebaar, enigszins beschermend, als een ware dorpsautoriteit. Ze sloegen verscheidene malen een hoek om en kwamen ten slotte op een weggetje, waarachter zich weilanden uitstrekten. Hier, in een huisje, dat het midden hield tussen een arbeiderswoning en een kleine boerenbehuizing, woonde de oud-veldwachter Wiers-ma. Alweer een gepensioneerde, dacht Hans, toen bij hun nadering een forse, kaalhoofdige man, die over een bloemperk gebukt stond, zich oprichtte. Wijdbeens, met de handen in de zakken, stond hij zijn bezoekers te woord.
„Of ik me dat geval herinner? Alsof 't gisteren was gebeurd!”
„In welk jaar is het geweest?” vroeg Hans.
„Dat kan ik u precies vertellen. Mn schoonmoeder was namelijk net gestorven.”
Dit was, althans voor een buitenstander, een niet zeer nauwkeurige aanduiding, maar Wiersma liep naar de voordeur, opende deze en riep naar binnen:
„Hé, Grietje! In welk jaar is je moeder ook wéér gestorven?”
Een vrouwenstem antwoordde iets. Wiersma keerde zich om en zei: „In negentien zevenendertig. Ja, ik weet nog best. Mn schoonmoeder lag nog boven de aarde en ik dacht: stel je voor dat het goeie mens er nou zo uitzag als die andere, 't Was afschuwelijk, een hoop slijm en botten ...”
„Maar had ze geen kleren meer aan?” vroeg De Gaai. „Was er niets te herkennen?”
„Nou, meester, niet veel of eigenlijk gezegd niks. Ik denk dat de ratten dr ook aan gezeten hadden.”
166