„Weet u niet meer in welk jaar het was?”
„Zoals ik u geschreven heb: een jaar of tien geleden. Het kan ook twaalf jaar zijn.”
„Maar in geen geval vijftien jaar?” vroeg Hans.
De Gaai maakte een gebaar van machteloosheid. „Ik zou er niet op durven zweren.”
„En kunt u ook niet zeggen, waar dat lijk is gevonden?” „Ja, dat weet ik nog heel precies. Het was in de sloot langs de Zuidweg, vóór het land van Stolk. Stolk heeft de ontdekking zelf gedaan, bij het baggeren, maar dat kan hij u niet meer vertellen, want hij leeft niet meer.”
„De Zuidweg? Is dat de kant van Eelstwoude op?”
„Ja zeker. Komt u nu uit Eelstwoude? Op de fiets? Dan bent u erlangs gekomen.”
„Er is indertijd toch zeker proces-verbaal van de zaak opgemaakt?”
„Dat zou ik wel denken,” antwoordde De Gaai. „Er is ook een oproep gepubliceerd door de burgemeester, maar er heeft zich nooit iemand gemeld.”
„Is die burgemeester nog in functie?”
„Helaas niet. ’t Was een beste man. Onze lieve bezetters hebben hem doodgeschoten. Maar onze veldwachter uit die dagen leeft nog. Hij is gepensioneerd. Ik zou zeggen: gaat u eens naar hem toe. Als u er geen bezwaar tegen hebt, loop ik even met u mee om u de weg te wijzen.”
En om nog wat meer van de zaak te horen, vulde Hans in gedachten aan, maar hij was blij met het geleide, dat hem zoeken bespaarde.
Hans, met zijn fiets aan de hand, liep naast de voormalige hoofdonderwijzer door de straatjes van het dorp. Er waren nu wat meer mensen buiten dan zoëven. Telkens klonk
165