steek aanging, maar waarom zou hij de nieuwsgierigheid van het goede mens niet bevredigen?
„Bij meneer De Gaai,” zei hij.
„O, mot je meester De Gaai hebben! Nou, dan ga je dadelijk rechts de hoek om. Maar je mag daar niet fietsen! Je bent er trouwens zó.”
Hans bedankte haar en de vrouw boog zich weer naar haar spuit. Inderdaad prijkte bij de ingang van de aangeduide straat een bord, dat het inrijden verbood. De noodzakelijkheid van dit verbod scheen op dit ogenblik niet zeer dringend, want het gehele verkeer in het straatje bestond uit één brievenbesteller. De huisdeur van nummer 14 droeg een koperen plaatje met een bijna uitgepoetste naam, die nog juist te ontcijferen was. Hans trok aan de bel. Zijn signaal werd onmiddellijk beantwoord met een scherp gekef. Een schraal oud vrouwtje deed open, terwijl een wit dwergkeesje Hans tegen de benen sprong.
„Koest, Dolly! Dag, meneer!”
„Dag, mevrouw. Ik zou graag meneer De Gaai even spreken. Ik heb een brief van hem ontvangen.”
„O ja, komt u maar binnen.”
Hans binnenkomst ontlokte Dolly nieuwe protestkreten, maar de vrouw greep het dier in zijn nekvel en trok het mee de kamer in.
Even later zat de bezoeker tegenover de heer des huizes in eigen persoon, een bejaarde man, wiens rood gezicht uitliep in een grijs puntbaardje. Terwijl hij dit sieraad streelde, zei hij:
„Ja, het is heel merkwaardig, maar zodra ik dat stuk in de krant zag, moest ik aan dat geval denken van die vrouw, die ze indertijd hebben gevonden.”
164