kamer. Oud-kolonel Blinxma, die een ei zat te pellen, wenste hem op zijn bekende luidruchtige wijze goeie-morgen. Er was verder niemand in de kamer. Hans liep door naar zijn tafel en zag, dat er een brief naast zijn bord lag. Zijn eerste gedachte was: een brief van Van der Pek, dat de zaak definitief van de baan is. Hij had nauwelijks de moed om het stuk op te nemen. Toen keek hij naar de naam van de afzender: J. C. de Gaai, Kerkstraat 14 te Fichtel. Het zei hem niets. Ietwat gerustgesteld ging hij zitten en scheurde de enveloppe open. Hij las:
Geachte Heer,
Zojuist heb ik in de krant het merkwaardige verhaal gelezen over Uw zoekgeraakte tante, mevrouw Adriana Locker-Duivemans. Daardoor schoot mij eensklaps te binnen, dat vrij lang geleden, ik schat een jaar of tien, in een sloot hier in de buurt het stoffelijk overschot is gevonden van een vrouw, die men voor zover ik mij herinner nooit heeft kunnen identificeren. Ik weet natuurlijk niet of deze vage aanwijzing enige waarde voor U heeft, maar misschien kan de politie alhier U aan nadere gegevens helpen.
In de hoop U van dienst te zijn geweest, teken ik,
Hoogachtend,
J. C. DE GAAI, oud-hoofd der school.
Hans stond op en ging naar de oud-militair. „Alstublieft,” zei hij laconiek, „de eerste reactie op het stuk in de krant.”
160