maar hij vond nog altijd, dat er betere tijdspasseringen bestonden.
Na een half uur voelde hij neiging zich te verontschuldigen, maar even later kwam de rentmeester binnen. In aanwezigheid van de anderen kon Hans hem niets vragen. Hij achtte dit trouwens niet gepast. Uit een blik, die de rentmeester hem toewierp, meende hij echter te mogen opmaken, dat er wel schot in de zaak kwam. Van der Pek dronk rustig zijn bittertje, terwijl Hans de ongerijmde hoop koesterde, dat Blinxma en Lafeber zouden verdwijnen, zodat hij met de rentmeester alleen bleef. Inderdaad een ongerijmde hoop. De heren praatten over koetjes en kalfjes en puften grote rookwolken uit. Hans dacht met een huivering aan de tijd, dat hij zelf oud zou zijn, aan de rand van het: leven gekomen. Er waren stormen over de wereld gegaan; nog steeds kraakte het, nu eens hier, dan weer ginds. Voortdurend speelden zich drama's af, in het openbaar en in het verborgene. Was het dan niet mooi, als men de rust van de ouderdom had bereikt, het inzicht, dat heel het bonte gebeuren in de wereld er niet zoveel toe deed, maar slechts een vluchtige maat muziek was in het ontzaglijke orkest van de schepping? Zijn diepzinnig gepeins werd afgebroken, doordat Marie binnentrad, die een paar flessen spuitwater kwam halen. Ze knipoogde verstolen naar hem, alsof ze wilde zeggen: „Heb je het hier gezellig?” Hij schaamde zich bijna, omdat zij hem in dit, overigens zeer achtenswaardige, gezelschap aantrof. Vlak achter haar betrad de krantenbezorger de gelagkamer. Marie keerde zich naar hem om en nam het blad van hem aan. Reeds riep kolonel Blinxma haar met luide stem naar zich toe. Met rukkerige gebaren
157