de zaak op de hoogte bracht. Weldra kwam het Hans voor, alsof zelfs de honden in het dorp het over zijn tante hadden, wanneer ze aan het blaffen sloegen.
Op een morgen, toen Hans aan het ontbijt zat, werd hij opgebeld door een journalist, die hem graag persoonlijk wilde spreken. De man had van de zaak gehoord en was van mening, dat zoiets in de krant moest komen. Hans eerste opwelling was, de ander af te schepen. Hij bedacht echter, dat een dergelijke publiciteit zeker geen kwaad zou kunnen doen. Kolonel Blinxma, die juist binnenkwam, wreef zich in de handen en zei: „Goed zo! Die kant moet het uit! De hele wereld moet ervan horen!”
Het was wel zeer de vraag of de hele wereld er op deze wijze van zou horen, want de journalist, die reeds een uur later met een auto arriveerde, vertegenwoordigde slechts een onbelangrijk provinciaal blad. Nog vóór hij zich de zaak nader liet vertellen, vroeg hij of Hans niet een foto van de vermiste tante had. Hans kon hem er niet aan helpen, maar zijn moeder bezat misschien nog wel een jeugdportret van haar zuster. Blijkbaar vond de krantenman, dat Hans' moeder wat ver weg woonde en daarom vroeg hij om een foto van Hans zelf.
„Denkt u, dat het onderzoek daarmee gebaat wordt?” vroeg Hans.
„Dat niet,” antwoordde de journalist, die zich als Klooster had voorgesteld, „maar het is wel aardig voor onze lezers.” „Dan spijt het mij, dat ik uw lezers die aardigheid moet onthouden,” zei Hans.
Klooster nam zijn bril af en poetste deze grondig. Ze zaten op het terras achter het huis. Eensklaps vroeg Hans zich af, of hij het interview wel had mogen toestaan. De jour
153