verder dan tot de gedachte, dat ze wat hem betrof niets goeds in de zin had.
De volgende dagen gebeurde er weinig bijzonders. Hans las of wandelde, het laatste meestal in gezelschap van Marie. Mevrouw Poolman glimlachte soms, als ze hen samen zag weggaan of thuiskomen. Pas als ze op een verlaten plek kwamen, gingen ze gearmd lopen, maar ze maakten er zich geen illusies over, dat het dorp lang onkundig zou blijven van de aard hunner verhouding. Wat oud-kolonel Blinxma aanging, was het niet zeker of er ironie school in de opmerkingen, die hij maakte, wanneer hij hen samen tegenkwam. Hij zei bijvoorbeeld: „Zo, Marie, probeer je meneer Bartels op een nieuw spoor te brengen? Veel succes, hoor!” Volgens hem mocht Hans blijkbaar geen ander doel meer najagen dan het ophelderen van de verdwijning zijner tante. Zo de oude heer er een idee van had, dat Marie niet bepaald als hulp-detective met Hans meeging, rekende hij hun beiden dit zeker als plichtsverzuim aan.
De andere bewoners van het pension schenen de zaak als afgedaan te beschouwen. Wel kwam de verdwijning af en toe nog ter sprake, maar niemand zag een mogelijkheid om licht in de kwestie te brengen en daarom vond men het ook niet nodig, Hans raad te geven of tot ijver aan te sporen.
Het was overigens merkwaardig, dat verschillende dorpelingen, winkeliers of mensen met wie hij toevallig een praatje maakte, Hans steeds weer naar het wonderlijke geval vroegen. Dat was te danken aan de onvermoeide werkzaamheid van de kolonel, die iedereen, die er maar naar luisteren wilde — en iedereen wilde luisteren — van
152