makelaar Lafeber was geweest, waren alle verdachte personen uit Eelstwoude en omstreken de revue gepasseerd. Voor zoiets moest je bij Lafeber zijn, die kende letterlijk iedereen!
„Hé,” zei Hans benieuwd, „en tegen wie had meneer Lafeber verdenking?”
„Verdenking is een te groot woord,” antwoordde zijn metgezel. „Meneer Lafeber heeft me een stuk of vier, vijf mensen genoemd, die wel eens met de politie in aanraking zijn geweest.”
„Wegens stropen of openbare dronkenschap zeker,” veronderstelde Hans.
„Precies!” bevestigde de kolonel. „U hebt dus ook al uw licht opgestoken.”
„Laat ik liever zeggen, dat ik het geprobeerd heb. Maar het is niet gaan branden.”
„Niet zo pessimistisch, meneer Bartels! We zullen toch in die richting moeten blijven zoeken, nietwaar?”
Hans knikte maar, hoewel hij niet begreep, welke richting de kolonel bedoelde. Toen zij het pension betraden, verzekerde Blinxma Hans nog eens met nadruk, dat hij op zijn steun kon blijven rekenen.
„Daar heb ik nooit aan getwijfeld,” antwoordde Hans met enige ironie, want hij beschouwde deze verzekering als een slag in de lucht.
Het grote nieuws had blijkbaar ook tot gevolg gehad, dat juffrouw Tersteeg weer aan de gemeenschappelijke maaltijd deelnam, hetgeen sinds eergisteren niet meer was gebeurd. Ze verklaarde, dat het bericht haar huiverig maakte om hier in de omtrek te gaan wandelen.
149