„Ja zeker, ik ben bij meneer Van der Pek geweest,” antwoordde hij eenvoudig.
Hij keek haar niet aan, hij had er werkelijk geen lust in, weer haar onderzoekende blik te dulden. Het hoefde ook niet meer. Ze nam onverhoeds, met enkele woorden, afscheid van hem, stapte op haar fiets en reed weg. Hans bleef beteuterd achter. Wat betekende dit? Hij had de indruk, dat ze nog meer had willen zeggen, maar eensklaps haar voornemen had opgegeven, misschien doordat hij nogal kortaf had geantwoord.
Dit voorval bood hem overvloedig stof tot piekeren. Het was niet onwaarschijnlijk, dat Aletta in hem een kandidaat voor het rentmeesterschap vermoedde en onmiddellijk bij haar vader stappen zou doen om zijn benoeming te beletten. Ze moest haar gang maar gaan. Hoe graag hij die betrekking ook had, ze was niet zijn laatste kans. Als hij Maries genegenheid behield, zou hij tot veel in staat zijn. Even later hoorde hij met stentorstem zijn naam roepen. Hij keerde zich om en zag kolonel Blinxma, die blijkbaar van zijn stamtafel kwam. „Dat treft,” sprak de militair, terwijl hij Hans een kleine wolk jenevergeur toezond. „U bent natuurlijk weer op speurtocht geweest!” Hij keek Hans met een goedkeurende glimlach aan.
„Ik weet niet hoe ik het noemen moet,” antwoordde Hans, terwijl zij samen verder liepen. „Er is niet veel te speuren.” „Niet veel te speuren?” herhaalde Blinxma, bijna verontwaardigd. „Me dunkt, dat u al aardig wat hebt ontdekt. Wat ik vanmiddag heb gehoord, heeft me weer met nieuwe moed bezield.”
Het viel niet te ontkennen: de oude man leefde intens met hem mee. In het café, waar hij overigens alleen met de
148