Woude was geweest. Hij antwoordde bereidwillig, ofschoon iets in haar toon hem op onaangename wijze herinnerde aan de toon, die ze de vorige week tegenover de marktkooplieden had gebruikt. Blijkbaar had haar manier van vragen altijd dat borende en nadrukkelijke.
Reeds kwamen de burgemeester en zijn vrouw terug. Lachend zei mevrouw Dekkers, dat kinderen nooit zonder ruzie konden spelen.
„Een voorproefje van wat ze als volwassenen zullen presteren,” zei Aletta scherp.
Het gesprek, dat tot nu toe vrij oppervlakkig was geweest, kwam door deze opmerking eensklaps op serieus terrein. Hans vatte vlam. Hij sprak:
„Ik hoop vurig, dat de kinderen van nu, als ze eenmaal volwassen zijn, zonder ruzie zullen kunnen leven.”
„Och, waarom zouden we dat niet hopen?” vroeg Aletta met nauwelijks verholen geringschatting.
„Maar, Aletta, je kunt toch niet leven met de gedachte, dat de wereld altijd zo zal blijven als ze nu is,” zei mevrouw Dekkers.
Aletta schopte een kiezelsteentje weg. Meer tot Hans dan tot de gastvrouw gewend, antwoordde ze:
„Een mens kan met heel veel onaangename gedachten leven.”
„Je hebt tijdens de bezetting toch andere opvattingen gehad,” zei mevrouw Dekkers. „Waarom was je anders bij het verzet?”
„Het kan wel zijn, dat ik er toen anders over dacht. Maar inmiddels zijn er weer enige jaren verstreken.”
Hans werd zich alle onzekerheden, die hem kwelden, weer pijnlijk bewust. Het gesprek, dat hij gisteren met de jonge
146