„Als ik de kans kreeg, bleef ik hier.”
„Meneer Van der Pek moest maar eens heengaan,” zei mevrouw Dekkers.
Hans keek verrast op, maar de burgemeester zei rustig: „Je weet toch, dat hij niets liever wil.”
Ze moesten het maar als bescheidenheid uitleggen, dat Hans niet op deze woorden inging. Even heerste er stilte, die doorsneden werd door het gerinkel van de telefoon. De burgemeester ging het huis in. Vage, donkere klanken dreven door de open deuren naar buiten. Wat is een menselijke stem iets eenzaams, dacht Hans, als je geen tegenstem hoort. Toen Dekkers terugkwam, zei hij tot zijn vrouw: „Aletta komt aanstonds.”
„Toevallig, dat we het net over meneer Van der Pek hadden,” antwoordde zijn vrouw.
Hans meende, dat de beleefdheid vereiste, dat hij, gezien het komende bezoek, zijn vertrek aankondigde. Nadat hij de freule op de markt had gezien, had hij trouwens niet het verlangen gevoeld, met haar kennis te maken. In verband met zijn toekomst was het evenwel noodzakelijk, dat hij zijn afkeer overwon. Bovendien wilden zijn gastvrouw en gastheer er volstrekt niet van horen, dat hij al wegging. Er wachtte toch niemand op hem? Hans moest toegeven, dat dat niet het geval was.
Het grind van het voorpad knerpte onder de wielen van een fiets. Mevrouw Dekkers liep om het huis heen. Men hoorde begroetingswoorden, voetstappen. Toen keerde de burgemeestersvrouw terug, en naast haar ging de hoge, schrale gestalte van de freule.
Mevrouw Dekkers stelde de gasten aan elkaar voor. Aletta’s hand voelde koel, bijna bloedeloos aan. De freule
144