genwoordigheid van geest terugkreeg. „Dat is toevallig, ik was juist naar u op weg.”
„U ziet bleek. Er is toch niets gebeurd?”
„Nee, dat niet. Dat wil zeggen...”
„Loopt u even met me mee,” verzocht de burgemeester. „Ik houd er niet van, zo midden in het dorp een gesprek te voeren. Tenminste niet stilstaand...”
Hans voelde zich bijna schuldig, maar de toon van de ander was zo tegemoetkomend, dat hij hem al gauw begon te vertellen, wat hij gewaar was geworden omtrent zijn tante.
„En wat had u gedacht, dat ik nog voor u zou kunnen doen?” vroeg Dekkers.
„Niets,” antwoordde Hans. „Ik wou u alleen even op de hoogte stellen. En misschien had ik ook nog wel ergens de onzinnige hoop, dat er iets aan te doen is. Het is toch verschrikkelijk, dat een mens zomaar kan verdwijnen...”
De burgemeester gaf dat volmondig toe. Maar, zei hij, Hans was zelf jurist, hij kon dus beter dan wie ook weten, dat er geen enkel aanknopingspunt was. Iedere stap betekende een stap in het duister. Tenzij het toeval hen te hulp kwam, maar op het toeval mocht men niet rekenen. „Gaat u even met me mee naar huis, een glas appelwijn drinken?” nodigde de burgemeester Hans uit.
Hans accepteerde graag, minder om de versnapering dan om het gezelschap. Dekkers leek hem een zeer verstandig en nuchter man. Ook al wist hij geen raad in dit hopeloze geval, hij zou altijd wel iets te zeggen hebben, dat de moeite waard was.
Voor ze aan het café De Posthoorn kwamen, sloegen ze linksaf, een smal landpad in. Daaraan lag, enige honder
142