gen, dat de gedachte hem door zijn verliefdheid werd ingegeven. Goed, dat wilde hij desnoods wel aanvaarden. Als men er maar niet aan toevoegde, dat liefde blind maakte. Want dat aanvaardde hij absoluut niet. De liefde maakte juist helderziende, zij wist in het geliefde schepsel de eigenschappen te onderscheiden, die voor het niet-lief-hebbende oog verborgen bleven. Voor hem, die liefhad, was de geliefde een bijzonder mens, omdat hij inderdaad het bijzondere, het meer-dan-menselijke element in de geliefde waarnam.
Toen de andere gasten reeds naar hun kamers waren gegaan, stond Hans nog even op het achterterras en keek omhoog naar de machtige sterrenhemel. Achter hem, in de keuken, zette Marie het een en ander weg. Hans keerde zich om.
Hij trad de keuken in en streelde vluchtig Maries arm. „Wel te rusten, Marie,” zei hij.
„Wel te rusten, Hans,” antwoordde zij.
Heel gewone woorden, maar beiden voelden er méér in en zij wisten dit van elkaar.
138