schouders en keek haar in de ogen. Ze sloeg ze niet neer, maar beantwoordde zijn blik, een beetje spottend, maar tegelijk zeer teder. En de omhelzing, die hierop volgde, vormde voor Hans een ruime schadeloosstelling voor de schrik, die hij even had gevoeld.
Het Heidemeer was wel de moeite van een lange wandeling waard. Onder de halfbewolkte hemel lag het te blinken als een ovale spiegel. Aan één oever stond tamelijk hoog riet, dat zachtjes ruiste. En rondom strekte zich de heide met groepen bomen en eindeloze velden met bruine struiken uit. Het was als een trillend, vochtig oog te midden van louter dorheid en droogte.
Enige vogels zwommen over de oppervlakte, andere scheerden langs het water en verdwenen klapwiekend tussen de bomen om even later in volle vaart terug te keren. De wandelaars hoorden achter zich weer het hoefgetrappel van de paarden. In een grote stofwolk snelden de dieren om het meer heen. Het was een fantastisch mooi gezicht, bijna iets uit een sage. Maar de gestalten, die de paarden bereden, waren geen góden of helden, doch nijvere zakenlieden en kantoormensen, die zich op deze wijze ontspanden.
Marie en Hans trokken in iets kalmer tempo om het meer heen. Of liever: ze liepen er niet helemaal omheen, maar sloegen een ander pad in dan dat, waarlangs ze gekomen waren. De terugweg naar Eelstwoude was op deze wijze iets korter dan de heenweg, zei Marie, en bovendien was het aardig, huistoe niet dezelfde route te volgen. Nadat ze dit pad gedurende ongeveer een half uur hadden gevolgd, kwamen ze aan een wegsplitsing. Er stond daar een laag,
134