„Ja, je moet oppassen met die stadslui!” waarschuwde Hans.
Zo schertsend legden ze bijna ongemerkt een hele afstand af. Ze kwamen door een dicht bos, waardoor een helder beekje liep en ze bleven kijken naar de stroom, die tot op de kiezelige bodem doorzichtig was. Een eekhoorn snelde tegen een stam omhoog, er vielen een paar takjes naar beneden.
„Zullen we hier maar even gaan zitten?” vroeg Marie. „Hoe ver is het nog naar het Heidemeertje?”
„Hoogstens een kilometer,” antwoordde Marie.
„Nee, dan ga ik liever door,” verklaarde Hans.
Het pad maakte een bocht en voorbij deze bocht zagen ze de groep ruiters terug, die hen zoëven was gepasseerd. De mensen waren afgestegen en stonden of liepen tussen de dieren door. Het meisje Toos van Gennep wuifde naar Marie en Hans. Het scheen, dat ze Marie naar zich toe wilde wenken. Maar deze negeerde het gebaar en groette uit de verte terug. Eén ogenblik had Hans het gevoel, dat zij haar arm van de zijne wilde losmaken. Maar waarschijnlijk vergiste hij zich, want Marie liep gewoon naast hem voort en onderbrak nauwelijks het relaas, dat zij hem juist deed.
Verleden jaar had een vroegere leraar van haar een week bij hen in het pension verbleven. De man was sinds enige jaren weduwnaar. Marie had hem vroeger nooit erg mogen lijden, misschien omdat ze niet bepaald goed was in het vak, dat hij doceerde, maar toch ook omdat hij een pietluttige, schoolmeesterachtige natuur had. Onder de kinderen had hij de bijnaam „Mispoes” gehad, want hij zei altijd op een zure, triomfantelijke toon „Mispoes”, wanneer
132