wanneer Marie daar geen bezwaar tegen had, kon dit Hans alleen maar aangenaam zijn. Het gaf hem zelfs zulk een verheugd gevoel, dat hij graag Maries arm zou hebben genomen.
Het noodlot, of wat het wezen mocht, scheen hem een handje te willen helpen. Even later dreigde Marie over een boomwortel, die een eindje boven de grond uitstak, te struikelen. Maar nog eer ze kon vallen, had Hans haar gegrepen.
„Ik zal je maar vasthouden, anders struikel je misschien weer,” zei hij en hij schoof zijn arm door de hare.
„O, heb je daar een excuus voor nodig?” vroeg Marie. Dat was weer haar spottende toon, maar er stak geen boosaardigheid in. Integendeel, het was niets dan speelsheid en vrouwelijke behaagzucht. En toen Hans even later zelf dreigde te struikelen, sprak Marie:
,/t Is toch maar goed, dat we elkaar vasthouden, hè?”
„Ja, de manier, waarop jullie hier je wegen onderhouden, of liever niet onderhouden, maakt het noodzakelijk, dat de mens een steuntje heeft!”
„Je vindt ons hier maar een stel kaffers!” zei Marie.
„Hoe kom je daarbij?” vroeg Hans quasi-verontwaardigd. „Ik geloof, dat jullie heel geraffineerd zijn.”
„Nou, nou, geraffineerd...,” deed Marie.
„Ja, is het soms niet geraffineerd om de paden en wegen zo te maken, dat ze de liefde als ware vanzelf bevorderen?”
Daar moest ze om lachen. Ze zei, dat hij een deugniet was, iemand met slechte gedachten. En dat te midden van de zuivere, ongerepte natuur!
131