TIENDE HOOFDSTUK
' J ]T alverwege de middag, toen Hans op zijn reeds ge-wone plaatsje in de boomgaard zat te lezen, zag hij Marie verschijnen.
„Heb je het Heidemeertje al gezien,” vroeg zij zonder inleiding.
Hans hart sprong op in zijn borst. Dat leek veel op een uitnodiging. En het was inderdaad een uitnodiging. Glimlachend, stralend in haar lichte japonnetje, stond Marie voor hem.
„Nee,” zei Hans. „Het Heidemeertje? Ik heb er nog niet eens van gehoord! Maar... maar zullen we er samen naar toe wandelen?”
„Je raadt mijn gedachten!” antwoordde Marie.
Hij stond snel op. Heerlijk, dat ze niet aan valse schaamte of schuchterheid leed. Waarom zou ze ook? Ze was een natuurkind, ze hield zich niet met listen of kunstgrepen op.
Hans was echter voorzichtig. Hij beschouwde dit niet als een jawoord van haar, maar het was al heel veel, dat ze erop gesteld was, een wandeling met hem te maken. En was er, na wat er reeds was voorgevallen, nog een jawoord tussen hen nodig?
Door het achterhekje verlieten ze het terrein. Een leeuwerik steeg jubelend de blauwe, hier en daar met witte wolkjes getekende hemel in.
129