Erger was het, dat hij zich begon af te vragen of hij met mensen als de baron en zijn rentmeester, die er zulke verouderde opvattingen op na hielden, zou kunnen samenwerken. De verloren zoon was bij zijn terugkeer door zijn vader ingehaald. Déze verloren zoon echter moest verloren blijven.
Bij nader inzien zette Hans zijn bezwaren van zich af. Waelenburgh en Van der Pek waren oud. Nu kwam er een nieuwe generatie aan bod, die tot taak had haar eigen inzichten door te zetten. Er wachtten hem nog vele moeilijkheden, maar als hij deze op de juiste wijze aanpakte, zouden ze hem ten goede komen, doordat ze hem zijn innerlijke onzekerheid hielpen overwinnen.
128