met zijn meester, dat hij die brieven van Alfred als niet-ontvangen beschouwde, omdat de baron zijn zoon nu eenmaal had dood verklaard?
Ze keerden langs een omweg naar het dorp terug.
„U zult misschien vragen, wat die geschiedenis met uw tante te maken heeft,” sprak de oud-militair. „Ik zou het u niet kunnen zeggen. Ik kan natuurlijk wel een verband gaan fantaseren, maar dat is goed voor kinderen.”
Blijkbaar had Blinxma in de nacht zon kinderlijke opwelling gehad, evenals Hans gisteren, toen Van der Pek hem van die zoon vertelde. Hans mocht daar niets van zeggen, maar wel merkte hij op:
„Het verbaast me, dat meneer Van der Pek u indertijd heeft gezegd, dat hij de houding van de baron begrijpelijk vond. Hij moet toch hebben gevoeld, dat daar iets onmenselijks in school.”
„Ja en nee,” antwoordde Blinxma. „De uitdrukking ,noblesse oblige had voor hem een zeer strikte betekenis. Walmen eventueel bij een ander door de vingers kon zien, was bij een Waelenburgh on vergeeflijk.”
„Een tamelijk ouderwetse opvatting,” meende Hans.
„We moeten de mensen met hun eigenaardigheden nemen,” zei de kolonel wijsgerig, terwijl hij het achterhekje van de tuin van pension Poolman openduwde.
Hans had het gevoel, dat dit gepraat hem van weinig nut was, ja eigenlijk alleen maar in verwarring bracht. Tante Adriana en Alfred Waelenburgh hadden in hetzelfde land gewoond. Als men daaruit een verband wilde construeren, kon men ook wel twee willekeurige inwoners van Nederland met elkaar in verband brengen.
127