wolken uit, die één ogenblik stilstonden in de lucht en dan met een ruk werden weggetrokken. Hans, die de hem aangeboden sigaar had af geslagen, liep met de handen in de zijzakken van zijn jasje, verdiept in vage gedachten over Marie en alle wonderlijke dingen, die met dit dorp verband hielden.
„Misschien is mijn verhaal wel overbodig,” begon de kolonel eindelijk, terwijl hij de as van zijn sigaar tipte. „U bent immers gisteren bij meneer Van der Pek geweest en hij zal u wel veel van de familie hebben verteld.”
„Hij heeft wel iets verteld,” gaf Hans toe, die dacht aan de geheimhouding, welke de rentmeester hem had opgelegd. „Maar hij heeft zich niet uitvoerig uitgelaten en dat lijkt me ook niet op zijn weg te liggen. Hij heeft een vertrouwenspositie bij de familie.”
„Inderdaad,” antwoordde Blinxma. Alsof hij op een ander onderwerp overstapte, vervolgde hij: „Die kwestie van uw zoekgeraakte tante houdt me intens bezig. Eerst begreep ik niet goed waarom ze me zo boeide. Maar vannacht, toen ik een poos wakker lag, is me iets te binnen geschoten. Een mens krijgt wel eens dwaze gedachten, vooral 's nachts. Ik herinnerde me opeens een dramatische gebeurtenis van lang geleden. Baron Waelenburgh had een zoon, die op jeugdige leeftijd in moeilijkheden raakte en naar Amerika is vertrokken.”
Hans kreeg een schok, maar de ander merkte het gelukkig niet.
„Alfred Waelenburgh was geen slechte jongen,” vervolgde de oud-militair. „Of laat ik het anders zeggen: hij had ook goede eigenschappen. Als jonge reserve-luitenant heeft hij onder mij gediend. Door een toevallige opmerking van
124