Bij het uitgaan van de kerk zag Hans de rentmeester Van der Pek voor zich uit lopen. Naast hem liep een forse, bejaarde heer, wiens hele gestalte een zeker gezag uitdrukte, ondanks het feit, dat hij enigszins gebogen was. Kolonel Blinxma wees Hans op de oude heer en bevestigde zijn vermoeden, dat dit baron Waelenburgh was.
„Dat is om zo te zeggen de laatste boom van een uitgestorven bos,” verklaarde de oud-militair.
„Ik meen gehoord te hebben, dat de baron nog dochters heeft,” antwoordde Hans.
Blinxma maakte een berustend gebaar, alsof hij wilde zeggen, dat dochters de uitsterving van het bos niet konden voorkomen.
„De geschiedenis van die familie is zeer droevig,” ging hij voort. „Ik zou u daarover het een en ander kunnen vertellen.”
Eigenlijk had Hans zich liever overgegeven aan zijn gedachten, die Marie tot middelpunt hadden. Maar de kans was groot, dat hij binnenkort nader met de baron in contact zou komen en dan kon het geen kwaad, indien hij van diens geschiedenis enigszins op de hoogte was. Daarom nam hij Blinxmas uitnodiging voor een kleine wandeling aan.
De menigte, dorpelingen en boeren, verspreidde zich. Het gegons en gemompel stierf weg, een enkele fietsbel maakte nog even een hoog geluid, ergens werd een deur geopend en dichtgeslagen. Toen ze een heipad voorbij De Posthoorn insloegen, was het kortstondige rumoer verdwenen, alsof het nooit had bestaan. Alleen de stilte bestond, die door het gejubel van een leeuwerik nog dieper werd. Blinxma had een sigaar opgestoken en blies grote rook
123