voeren, kon niemand meer beïnvloeden. Dat was een zaak voor hem alleen, hij begreep dit beter dan ooit. De wereld was zoals zij was en in der eeuwigheid zou blijven. Maar hij, Jan Bauer, had slechts één leven, een korte spanne tijds, waarin hij nog zoveel in ’t reine had te brengen, dat hij zich met beuzelarijen, als uitbarstingen van dorpshaat, niet kon afgeven.
Hard en eenzaam. Hij was noch het een, noch het ander. Zijn isolement werd doorbroken door huiselijke gebeurtenissen. Koos was andermaal zwanger. Hun tweede jongen was nu al vier jaar. Zij hadden er geen van beiden meer op gerekend, dat er nog kinderen zouden komen. Het was goed, dat zich nu een derde aankondigde. Het was altijd goed, te merken dat het leven voortging, onverstoorbaar. En dit, de voortzetting van zijn geslacht, was immers het beste, dat een mens kon ervaren. Voor Koos was dit nooit een probleem geweest, voor Jan was het pas laat tot zekerheid geworden. Des te hardnekkiger hield hij er aan vast. Zonder zijn kinderen was zijn leven een verloren zaak.
Koos greep deze gelegenheid aan, om Jans verzoening met de kerk voor te bereiden. Het ging zo immers niet langer. Hun kind zou gedoopt moeten worden. Zou hij daarbij soms ontbreken? En daardoor in zekere zin de doop, die toch de opneming in de gemeente bezegelde, verloochenen?
Hij wilde zich er van afmaken door te zeggen, dat dit alles nog de tijd had. Maar deze uitvlucht stond hem zelf tegen. Hij nam een kloek besluit, zette alle overwegingen aan kant en ging weer met Koos naar de kerk. Terwille van hun kind dat geboren moest worden, om niets anders. De kerkgangers schreven hem minder nobele motieven toe. Bauer, die zo’n merkwaardige rol heette te spelen bij de uitbreidingsplannen van het dorp, wilde blijkbaar iets goedmaken door zich weer eens van z’n vrome zijde te laten zien. Men kende hem nu lang genoeg. De verachting straalde hem van het gezicht. Zij voelden zich beledigd, of zij nu voor- of tegenstanders van het hotel waren. De rijkaard, mensenhater en filantroop Bauer, deze hybridische persoonlijkheid, bleef hun een steen des aanstoots.
De atmosfeer van nijd en achterdocht sloeg hem weer naar de keel. Hij had een gevoel alsof hij moest stikken. Hoe hield hij het uit in dit dorp! Hoe kon hij het uithouden, zich elke
95